Hoe technologie-import vanuit China onze jobs bedreigt
5 min
China Shock 1.0, waarbij China de wereld overspoelde met goedkope producten, piekte in 2007. China Shock 2.0, waarbij China de wereld (en vooral Europa) overspoelt met technologieproducten, is volop aan de gang. Het verhaal is gelijkaardig. De nuance is dat China vandaag meer exporteert van wat wij maken.
China exporteert meer en meer van wat wij maken
De exportgelijkenisindex toont hoeveel van wat de eurozone naar de wereld uitvoert ook door China wordt geëxporteerd. Tijdens de eerste China Shock in 2002 overlapte zowat een kwart van de sectoren waarin beiden een comparatief voordeel hadden. We bleven met andere woorden grotendeels uit elkaars vaarwater.
Vandaag is het percentage van producten waarin we elkaar beconcurreren op de wereldmarkt opgelopen tot gemiddeld ruim 40%, met grote verschillen tussen de lidstaten (zie verder). Verontrustend is ook dat de index scherp steeg sinds 2019. De overlap concentreert zich in machines, transportmaterieel en chemische producten. Precies het segment waarop de Europese exportmotor draait. China exporteert meer en meer van wat wij maken.

Van speelgoed naar technologie
Dat is het fundamentele verschil met de vorige ronde. China Shock 1.0 trof de buitenrand van de westerse industrie: speelgoed, textiel, eenvoudige elektronica … Categorieën waar we toch al concurrentie ondervonden van andere opkomende markten en die we op termijn hoe dan ook grotendeels zouden verloren zijn. Shock 2.0 raakt de Europese industrie in het hart: auto's, machinebouw, chemie, cleantech, geavanceerde productie … In sommige landen goed voor 50 à 60%. De breuklijn is verschoven van loonkosten naar technologisch kunnen.
Wij produceren hoogtechnologische producten. China ook steeds meer. Het verschil in complexiteit tussen Chinese en Europese exportgoederen is alsmaar kleiner geworden. De Nederlandse onderzoekers Ron Stoop van het Den Haag Centrum voor Strategische Studies, en Geoffroy Feij, verbonden aan ondernemersorganisatie FME, tonen dat aan met de Product Complexity Index1.
Stoop en Feij hebben ook onderzocht welke Europese regio’s het meest worden bedreigd door de sterk gestegen export van complexe Chinese goederen tussen 2020 en 2025. In de top 10 domineert Duitsland met vijf regio’s: Braunschweig, Stuttgart, Oberpfalz, Tübingen en Neder-Beieren. Tsjechië is met drie regio’s vertegenwoordigd, Hongarije met twee. “Dit zijn regio’s met een historisch sterke maakindustrie. Daardoor zijn zij het meest blootgesteld aan Chinese import in dezelfde sectoren”, schrijven Stoop en Feij in het economenblad ESB.
In de tang
China Shock 2.0 is geen shock die via één simpel mechanisme werkt. Hij loopt via drie kanalen tegelijk. Dat maakt hem lastiger te bezweren dan de eerste. Vooreerst stijgt de import vanuit China gestaag en gaat meer van die import richting geavanceerde sectoren. Ten tweede is er een zwakkere Chinese vraag naar Europese kapitaalgoederen, omdat China zijn eigen productie substitueert voor wat het vroeger bij ons kocht. Tot slot drukken de Chinese schaalgrootte en staatsgelinkte/-gesubsidieerde productiecapaciteit de marges van iedereen die meespeelt.
Het resultaat is een denkbeeldige driedimensionale tang die van alle kanten dichtknijpt: meer concurrentie binnen Europa, minder vraag in China, en dat alles aan een lagere prijs. De eerste twee kanalen illustreren trouwens China’s ‘dual circulation’-strategie in de praktijk. “China ontwikkelt zich snel tot de ‘OPEC van de industriële inputs’ voor de hele wereld”, stelde professor Richard Baldwin al enkele jaren geleden in het boek ‘De Nieuwe Wereldeconomie’. Daartegenover staat dat China de inkoop van intermediaire goederen vanuit de rest van de wereld fors teruggeschroefd heeft om de afhankelijkheid van externe input te beperken.

Van alle grote economieën is de Europese exportmand het dichtst bij die van China komen te liggen. Dichterbij dan de VS en Japan. Binnen Europa lopen Italië en Duitsland het meeste risico (wat ook bevestigd wordt in de studie van Stoop en Feij), niet toevallig de twee grootste industriële machines van het continent. Griekenland blijft relatief gespaard, simpelweg omdat zijn economie meer op diensten draait en minder overlapt met geavanceerde productie. Hongarije is het interessantste - en ongemakkelijkste - geval: het scoort hoog op de gelijkenisindex, maar huisvest tegelijk omvangrijke Chinese batterij-investeringen. Concurrent en gastheer tegelijk dus.
Consumentvoordeel versus werkgelegenheid
Bij Shock 1.0 woog het consumentenvoordeel van goedkopere geïmporteerde spullen op tegen het jobverlies - dat hebben we vorige week uitgebreid becijferd. Deze keer ziet de rekensom er waarschijnlijk minder rooskleurig uit, en dat om drie redenen.
- Shock 2.0 raakt hoger geschoolde, beter betaalde sectoren. Daar is het verlies aan menselijk kapitaal moeilijker te compenseren met een lagere prijs voor een elektrische wagen.
- Staatssubsidies storen structureel de concurrentie. Het spel wordt niet eerlijk gespeeld. Dat was vroeger ongetwijfeld ook zo, maar wel in sectoren die sowieso al ten dode opgeschreven waren.
- Europa's eigen structurele zwaktes - hoge energieprijzen en versnipperde kapitaalmarkten - werken als versterker.
Eerlijke concurrentie heeft een prijs
Beleidsmakers wachten niet tot economen hun finaal oordeel over China Shock 2.0 hebben gemaakt. De Foreign Subsidies Regulation geeft de Europese Commissie de bevoegdheid om te onderzoeken of een Chinees bedrijf dat zich in Europa vestigt eigenlijk nog altijd op staatssteun uit Peking leunt. Een recente toepassing daarvan leidde tot de terugtrekking van een Chinese treinbouwer uit een Spaanse overheidsaanbesteding, zodra duidelijk werd dat het bod onder het vergrootglas van de Europese Commissie zou belanden. Enkel een Spaans bod bleef over … dat ruim dubbel zo duur was. Eerlijke concurrentie heeft een prijs.
En dan zijn er nog het Carbon Border Adjustment Mechanism en invoertarieven op elektrische wagens. Die tarieven zouden trouwens vervangen worden door voor de Europese autoproducenten minder beschermende minimumprijzen. Maar een coherent Europees beleid uitwerken is moeilijk. Dat heeft minder te maken met de grootte van het bilaterale handelstekort dan in welke sectoren landen gespecialiseerd zijn. Ook de plaats van elk land in de toeleveringsketen is belangrijk: een Duitse autobouwer kijkt anders naar Chinese concurrentie dan een Hongaarse regering die net een Chinese batterijfabriek heeft binnengehaald.
Technologische convergentie
Het is verleidelijk om het verhaal te herleiden tot "Chinees handelsoverschot = slecht, punt uit." Dat is te simpel. De keerzijde van diezelfde overcapaciteit is goedkope toegang tot elektrische wagens, zonnepanelen en andere technologie waarvan het voordeel voor de Europese consument nog niet eens goed in kaart is gebracht, laat staan afgewogen tegen het potentiële jobverlies. De echte breuklijn is niet het handelscijfer op de voorpagina, maar technologische convergentie: China beweegt zich vandaag richting hetzelfde technologische niveau als wij. Dat is een compleet andere wedstrijd dan die van vijftien jaar geleden.
Europa staat voor meer concurrentie thuis én minder vraag in het buitenland. Op hetzelfde moment. De tewerkstelling in sleutelindustrieën zal daaronder lijden, ook al verzacht goedkope hoogtechnologische import een deel van die pijn. De strategische keuze is er uiteindelijk een tussen beheerste concurrentie met duidelijke spelregels of geleidelijke fragmentatie zonder afspraken. Welke van de twee het wordt, bepalen we de komende jaren.
