Deel 2: Europese pensioenen - Waarom bedrijfspensioenen de hefboom zijn

3 min

Het wettelijk pensioen afbouwen, is politiek bijna onmogelijk: wie eraan raakt, krijgt de halve bevolking op straat. De realistische weg is daarom niet het afbreken van de eerste pijler (let op: aanpassingen zijn wel noodzakelijk) maar het bijbouwen van de tweede.

De drie troeven van bedrijfspensioenen

  • Ze lopen via de werkgever. Wie automatisch wordt ingeschreven, spaart ook effectief. Mensen hoeven niet zelf de stap te zetten. 
  • Ze beleggen op lange termijn. Een horizon van dertig of veertig jaar laat toe om in aandelen en risicokapitaal te beleggen, met een hoger verwacht rendement dan het spaarboekje. 
  • Ze compenseren een stuk van de daling van het wettelijk pensioen. De Europese Commissie rekent erop dat de opbouw van aanvullende rechten de daling van de vervangingsratio gedeeltelijk opvangt. 

De landen met de meest gespreide systemen, zoals Nederland en de Angelsaksische landen, scoren ook het best op de Ageing Vulnerability Index. Ze zijn minder kwetsbaar omdat de last van de vergrijzing niet volledig op de overheidsbegroting terechtkomt. 

Waarom de tweede poot ontbreekt …

Waarom is die tweede pijler1 zo mager in het grootste deel van Europa? Slechts één op de vijf Europeanen bouwt een bedrijfspensioen op en 18% heeft een privépensioen. Decennialang leek een aanvulling overbodig omdat het wettelijk pensioen het zware werk deed. Bovendien zijn veel pensioenfondsen te klein om efficiënt te werken: vier op de vijf beheren minder dan 1 miljard euro. 

Het geld dat wel in bedrijfspensioenen zit, wordt bovendien defensief belegd. In België moet de werkgever een minimumrendement van 2,5% garanderen. Avonturieren met aandelen om – gemiddeld – een veel hogere return te halen, gebeurt dan niet. In Duitsland bestaat 40% van de bedrijfspensioenverplichtingen uit boekreserves: het bedrijf belooft een pensioen, maar zet het geld niet apart en houdt het in de eigen onderneming. De Duitse pensioenfondsen beleggen amper 10% in aandelen. Europese gezinnen hebben amper 17% van hun financieel vermogen in effecten, tegenover 43% in de VS.  

1Er zijn drie pensioenpijlers. Het wettelijk pensioen (eerste pijler) betaalt de overheid. Een bedrijfspensioen (tweede pijler) bouw je op via je werkgever, in een groepsverzekering of een pensioenfonds. Een privépensioen (derde pijler) spaar je zelf, bijvoorbeeld via pensioensparen of het Europese PEPP.

 … en wat Europa eraan doet 

Europa wil dat veranderen, met maatregelen voor elke pijler: 

  • Bedrijfspensioenen: de pensioenfondsrichtlijn IORP II wordt herzien, met meer schaal en meer ruimte voor aandelen. 
  • Privépensioenen: het PEPP verliest zijn kostenplafond van 1% en wordt eenvoudiger. 
  • Beide: een aanbeveling om werknemers automatisch in te schrijven in een aanvullend pensioen, met opt-out, en een pensioentracker voor alle burgers zodat die altijd hun totale pensioenbedrag kunnen opvolgen (en – wie weet – een tandje/centje kunnen bijsteken). Er komt ook een verduidelijking van het ‘prudent person’-principe, dat dit aandelenbeleggingen niet mag ontmoedigen. 

Het Finance Europe-label 

Daarnaast lanceerden zeven lidstaten het ‘Finance Europe’-label. Dat geldt voor spaarproducten (investeringsfondsen, verzekeringsgerelateerde producten, beleggingsrekeningen) in het algemeen, niet specifiek voor pensioenen: minstens 70% in Europese bedrijven, beursgenoteerd of niet, en zonder staatsgarantie met een minimale investeringsperiode van 5 jaar. Ook de rapporten van Letta en Noyer mikken vooral op individuele spaarproducten. Noyer wil werknemers er wel automatisch voor laten inschrijven via hun werkgever. 

Maar Europa kan enkel sturen, niet opleggen. Fiscaliteit en arbeidsrecht blijven een nationale materie en de automatische inschrijving is slechts een aanbeveling. Het Britse voorbeeld toont wat mogelijk is. Na een invoering van zes jaar steeg het aandeel werknemers in de privésector dat via de werkgever voor een pensioen spaart van 42% naar 86%. Dat cijfer gaat over deelname, niet over hogere uitkeringen, want een volwaardig pensioen opbouwen vraagt een volledige loopbaan. Alleen botst elke lidstaat die eraan begint, op dezelfde vraag. 

Wie betaalt de rekening? 

Er zijn drie opties: de werkgever betaalt meer, de werknemer houdt een deel van zijn/haar loon in, of de overheid geeft fiscale stimulansen. In de praktijk wordt het een mix, maar elke optie weegt. In België zijn de loonkosten al hoog. Grote bedrijven bieden vaak een stevig bedrijfspensioen aan, maar bij kleinere kmo’s en zelfstandigen blijft de dekking beperkt. Het doel dat iedere werknemer een aanvullend pensioen opbouwt, wordt al jaren nagestreefd en is nog steeds niet bereikt. De bijdragen zijn doorgaans te klein. 

Een vaak geciteerd spreekwoord vat het dilemma mooi samen: “De beste tijd om een boom te planten, was twintig jaar geleden. De op één na beste is vandaag.” Wie vandaag niet bouwt, staat over twintig jaar voor een pensioenklif: een generatie die ontdekt dat het wettelijk pensioen niet volstaat en dat er niets naast staat. De omschakeling zal bloed, zweet en tranen vergen en zal traag gaan. Juist daarom moet ze nu starten. 

De winst is dubbel. Burgers bouwen een pensioen op dat de daling van de eerste pijler opvangt. En Europa maakt slapend spaargeld wakker als risicokapitaal voor de eigen economie. Twee problemen, één hefboom.