Vergrijzende bevolking verzwakt Europese landen

5 min

Ontwikkelde landen verouderen snel, waardoor de socialezekerheidsstelsels onder druk komen te staan. Aan de hand van vijf indicatoren laat onze vergrijzingskwetsbaarheidsindex zien welke economieën het meest financieel blootgesteld zijn aan stijgende pensioen- en gezondheidszorgkosten.

Demografische challenge

Het gros van de ontwikkelde landen vergrijst in een rotvaart. Het percentage 65-plussers in de groep van ‘meer ontwikkelde landeni’ in de bevolkingsdatabank van de VN zal tussen 2026-2100 naar verwachting stijgen van 21,5% naar 32,3%. De verschillen tussen de landen zijn echter groot. In Japan is vandaag al meer dan 30,5% van de bevolking ouder dan 65 jaar. Tegen het einde van deze eeuw zou dit stabiliseren rond 39%. In landen met een gunstiger vergrijzingsprofiel, zoals de Verenigde Staten, stijgt dat percentage naar verwachting van 19% naar 30,5%.

Tijdbom

Die stijgingen leggen een tijdbom onder het socialezekerheidsstelsel. Zonder specifieke hervormingen zullen de pensioen- en gezondheidszorguitgaven stijgen, terwijl de bijdragen van de krimpende actieve bevolking zullen dalen. Welke landen zijn vanuit financieel oogpunt het kwetsbaarst voor de vergrijzing? Dat onderzochten we voor 16 ontwikkelde landen op basis van 5 ratio’s in onze vergrijzingskwetsbaarheidsindex2.

In de algemene rangschikking scoren de Angelsaksische landen het sterkst, samen met Zweden en Denemarken. De kwetsbaarste landen komen allemaal uit Europa, met het snel verouderende Spanje en Italië helemaal achteraan de rangschikking.

Kijken we naar de verschillende ratio’s, dan stellen we het volgende vast:

  • Netto overheidsschulden (in % bbp): In tal van landen staan de overheidsschulden op hun hoogste niveau in vredestijd, of schuren ze er tegenaan. Dat biedt weinig marge om extra vergrijzingskosten te absorberen. Japan en Italië spannen de kroon met een netto overheidsschuld van 129% van het bbp. 
  • Belastinginkomsten (in % bbp): Het optrekken van de belastinginkomsten om de stijgende vergrijzingskosten te betalen, is in veel landen geen optie meer. In tal van Europese landen schommelen de overheidsinkomsten al rond 50% van het bbp, met als uitschieters Denemarken (50%), België (50%), Frankrijk (51,7%) en Noorwegen (59,7%). Voor Noorwegen stelt dit echter geen probleem, gezien zijn negatieve overheidsschuld (de financiële bezittingen van de overheid zijn dankzij een gigantisch oliefonds groter dan haar schulden). In de Angelsaksische landen en Japan schommelt het percentage rond de 40% of minder. Zij hebben wel nog ruimte om de overheidsinkomsten te verhogen.  
  • Stijging afhankelijkheidsratio: Hoe meer mensen belastingen betalen, hoe draagbaarder het socialezekerheidsstelsel. De afhankelijkheidsratio (0-25-jarigen en 65-plussers tegenover 25-64-jarigen) stijgt echter de komende decennia sterk in Europa, en meer specifiek in de Zuid-Europese landen. Spanje is de negatieve uitschieter, met een verwachte stijging van 52% tegen 2050. In Italië en Portugal komt de toename uit op respectievelijk 41,4% en 37,5%. De landen die het het best doen, zijn de Angelsaksische landen - waar de vergrijzing minder snel verloopt - en de meeste Scandinavische landen.
  • Aandeel overheidspensioenen in het totale pensioen: De stijging van de afhankelijkheidsratio maakt de financiering van de overheidspensioenen via de socialezekerheidsbijdragen almaar moeilijker. En net in de landen met de sterkste stijging van de afhankelijkheidsratio bedraagt het aandeel van het overheidspensioen (ouderdoms- en overlevingspensioen) in het totale pensioen 90% of meer. Zo’n hoge afhankelijkheid van het overheidspensioen maakt het politiek zeer gevoelig om aan die pensioenen te morrelen. De Angelsaksische landen ontspringen weer de dans met goed uitgebouwde bedrijfspensioenen. In het VK staat die tweede pijler in voor 28%; in Canada, de VS en Australië is dat respectievelijk 37,5%, 44,4% en 50,2%. Op het Europese vasteland heeft enkel Nederland (29,5%) dat voorbeeld gevolgd.
  • Netto actuele waarde van de extra overheidsuitgaven voor pensioen- en gezondheidsuitgaven tussen 2024-2050: Uitschieter hier zijn de VS. De netto actuele waarde van bijkomende socialezekerheidsuitgaven over de periode 2024-2050 zou de Amerikaanse schuld verdubbelen zonder hervormingen. Maar ook tal van Europese landen kijken aan tegen een aanzienlijke stijging van de uitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg.

Pensioenuitkeringen hervormd

Opvallend is dat in drie vierde van alle landen het gros van de extra socialezekerheidsuitgaven betrekking heeft op gezondheidsuitgaven. Het zijn vooral die uitgaven die moeilijk onder controle te krijgen zijn. Aan de pensioenuitkeringen is sinds 2000 in de meeste landen al aanzienlijk gemorreld. Oudere generaties in Europa ontvangen zowat het dubbele in levenslange uitkeringen in vergelijking met hun bijdragen gedurende hun actieve leven. Hervormingen na de Grote Financiële Crisis van 2008 hebben die verhouding tussen uitkeringen en bijdragen voor de jongere generaties teruggebracht tot bijna 1,5. Daarmee was de helft van het probleem dichtgefietst. In tal van landen hebben recentere hervormingen de rekening echter opnieuw de hoogte in geduwd.