De Belgische overheidsschuld begrijpen in 9 vragen
5 min
België geeft structureel meer uit dan het ontvangt. Daardoor loopt het begrotingstekort op en stijgt de overheidsschuld. Tegelijk wordt het steeds duurder om die schuld te financieren. Als we niet tijdig ingrijpen, dreigen de financiële markten ons later tot veel strengere maatregelen te dwingen.
Dit moet u onthouden:
Zonder bijkomende maatregelen lopen zowel het Belgische begrotingstekort als de overheidsschuld verder op.
- Zonder bijkomende maatregelen lopen zowel het Belgische begrotingstekort als de overheidsschuld verder op.
- De stijgende rente is een van de belangrijkste oorzaken van de toenemende budgettaire druk.
- Ook de vergrijzing en de groeiende gezondheidskosten maken de uitdaging groter.
- De eerste doelstelling moet zijn om de overheidsschuld te stabiliseren. Een snelle daling is weinig realistisch.
- Tijdig en geleidelijk ingrijpen is minder pijnlijk dan wachten tot de financiële markten ons tot drastische maatregelen dwingen.
Aan welke Europese regels moet België voldoen?
Volgens de Europese begrotingsregels mag het begrotingstekort niet hoger zijn dan 3% van het bruto binnenlands product (bbp). De overheidsschuld mag in principe niet meer dan 60% van het bbp bedragen.
België voldoet vandaag aan geen van beide voorwaarden. Daarom moet ons land van de Europese Commissie een minimale jaarlijkse structurele inspanning van 0,5% van het bbp leveren om het tekort weg te werken.
Door de hogere rente en de tragere economische groei dreigen we van dat traject af te wijken. Om op koers te blijven, moeten we volgens het Monitoringcomité tegen 2029 iets meer dan 7 miljard euro aan bijkomende structurele maatregelen vinden. Tegen 2031 loopt dat bedrag op tot zo’n 10 miljard euro.
Wat gebeurt er wanneer België niet verder ingrijpt?
Vandaag bedraagt het tekort iets meer dan 5% van het bbp. Zonder verdere ingrepen kan dat oplopen tot 5,8% in 2029 en 6,2% in 2031. Daarmee zouden we de slechtste cijfers van heel de EU optekenen.
Ook de overheidsschuld blijft dan stijgen. Eind 2026 zou de schuldgraad ongeveer 108% van het bbp bedragen. Zonder aanpassingen kan die stijgen tot 117% in 2029 en 123% in 2031. Hoe hoger de schuld, hoe meer we moeten lenen en hoe groter onze rentefactuur wordt.
Waarom loopt het begrotingstekort op?
Enerzijds zijn sinds 2013 de overheidsinkomsten gedaald van 52,7% naar 49% van het bbp, goed voor 22 miljard euro minder inkomsten.
België heft hoge belastingen op beroepsinkomsten. Daardoor zoeken mensen naar legale manieren om minder personenbelasting te betalen, bijvoorbeeld door via een managementvennootschap te werken. Dat verklaart een groot stuk van de dalende inkomsten.
Daarnaast werden de btw-tarieven voor bepaalde sectoren en de patronale bijdragen verlaagd, om de tewerkstelling en de competitiviteit van bedrijven te bevorderen. Dat holt de belastingbasis nog verder uit.
Anderzijds stijgen onze uitgaven.
Daarvoor duiken we even terug in de geschiedenis. In het begin van de jaren 1980 waren de Belgische overheidsfinanciën ook heel kwetsbaar. De rente liep toen op tot 15 à 16%. Een negatief sneeuwbaleffect ging aan het rollen (zie verder) en we moesten jarenlang zwaar besparen om de situatie onder controle te krijgen. Tussen begin jaren ‘80 en 1990 daalden de primaire overheidsuitgaven (alle uitgaven zonder de rentelasten) daardoor van zo’n 51% van het bbp naar 40%.
Vanaf de jaren ‘90 veranderde de situatie. De rente daalde sterk, waardoor de jaarlijkse rentelasten jaar na jaar terugvielen, van ongeveer 11% van het bbp tot 1,6% in 2022. Die onverwachte financiële ruimte gebruikte de overheid om haar primaire uitgaven opnieuw de hoogte in te duwen. Vandaag bedragen ze ongeveer 52,2% van het bbp.
Met andere woorden, de dalende rentelasten werden gebruikt om decennialang cadeaus uit te delen. Nu de rente sinds 2020 opnieuw stijgt, moet de broeksriem weer aangetrokken worden.
Waarom vormt de stijgende rente zo’n groot risico?
De gemiddelde rente op de overheidsschuld stijgt geleidelijk. Naarmate oude leningen vervallen en moeten geherfinancierd worden tegen die hogere rentevoeten, lopen de rentelasten langzaam op.
De jaarlijkse rentelasten kunnen toenemen van 1,6% van het bbp in 2022 tot ongeveer 3% in 2030. De rentemeevaller van de voorbije decennia keert 180 graden. We moeten dus niet alleen voorkomen dat onze andere uitgaven verder stijgen, maar ook ruimte vinden om die hogere rentefactuur te betalen.
Wat is het negatieve sneeuwbaleffect?
Om de schuldratio – de totale overheidsschuld versus het nominale bbp – onder controle te houden, is de verhouding tussen de gemiddelde rente die een land betaalt op zijn overheidsschulden en de nominale groei van de economie (inclusief prijsstijgingen) cruciaal.
Wanneer de rentelasten op de uitstaande schuld sneller groeien dan de economie, kan een negatief sneeuwbaleffect ontstaan. Zonder begrotingsevenwicht loopt de overheidsschuld dan snel op en moet ons land extra lenen om zijn schulden te herfinancieren.
België bevindt zich weer dicht bij dat gevaarlijke kantelpunt dat we begin jaren ‘80 overschreden.
Welke rol speelt de vergrijzing?
Naast de stijgende rente krijgen we te maken met hogere uitgaven door de vergrijzing, vooral op het vlak van pensioenen en gezondheidszorg voor de babyboomers, de grootste naoorlogse generatie.
Eerdere ramingen gingen uit van een stijging van de vergrijzingskosten met ongeveer 3,5% van het bbp tegen 2060. Door hervormingen zou dat al zijn teruggebracht tot zo’n 1,6%. Daarvoor moeten de geplande maatregelen wel volledig worden uitgevoerd. Het gaat onder meer om aanpassingen aan de pensioenen, mensen langer aan het werk houden en meer mensen aan het werk krijgen. Maar de grootste uitdaging wordt het onder controle krijgen van de gezondheidsuitgaven.
Kan een hogere werkzaamheidsgraad helpen?
Een hogere werkzaamheidsgraad is een deel van de oplossing. De socialezekerheidsuitgaven dalen en de -bijdragen stijgen. België heeft een werkzaamheidsgraad van zo’n 76% voor 25-64-jarigen. In sommige Europese landen ligt die rond 84%. Onze regering streeft naar 80% tegen het einde van de regeringsperiode. Dat is te optimistisch, maar beter wat te veel dan te weinig ambitie.
Kunnen de financiële markten België tot ingrijpen dwingen?
Een overheid kan geld lenen zolang beleggers bereid zijn haar obligaties te kopen. Wanneer die beginnen te twijfelen aan het begrotingsbeleid, kunnen ze een hogere rente eisen.
Dat gebeurde in 2022 in het VK, toen de zittende premier Liz Truss 50 miljard pond aan belastingverlagingen aankondigde. De financiële markten verloren snel vertrouwen en duwden in amper zes werkdagen de Britse tienjaarsrente van 3,2% naar 4,4%. Premier Truss trad af en de aangekondigde maatregelen werden afgevoerd. Het toont aan hoe snel de obligatiemarkt een regering kan dwingen om haar beleid aan te passen.
Staat België al onder druk?
België kan zijn schulden vandaag nog altijd zonder problemen terugbetalen. Maar wanneer andere landen een geloofwaardiger begrotingsbeleid voeren, worden hun overheidsobligaties aantrekkelijker dan de Belgische.
Onze kredietwaardigheid is in 2025 en 2026 al naar beneden bijgesteld door de drie belangrijkste kredietbeoordelaars. We moeten die ratingbureaus en de financiële markten daarom overtuigen dat we onze begrotingsproblemen ernstig aanpakken.
De eerste doelstelling is de stijging van het begrotingstekort te stoppen en de overheidsschuld rond het huidige niveau te stabiliseren. Een sterke daling van de overheidsschuld is niet realistisch. Naast de vergrijzing krijgen we immers ook te maken met hogere uitgaven voor onder meer defensie en de klimaattransitie.
Conclusie
In de jaren '80 leidde het negatieve sneeuwbaleffect tot zo'n vijftien jaar van zware besparingsmaatregelen. We kregen toen indexsprongen, een globaal spaarplan en hogere crisisbelastingen. Als we nu niet uit eigen beweging hervormen, bestaat het risico dat we later onder druk van de financiële markten – lees: met het mes op de keel - veel harder moeten ingrijpen.
Uiteindelijk moeten we de tering naar de nering zetten. We kunnen niet onbeperkt meer uitgeven dan er binnenkomt. Dat betekent niet dat we alle voordelen of overheidsuitgaven moeten afschaffen, maar wel dat we ze opnieuw beter moeten afstemmen op onze inkomsten.
Hoe langer we daarmee wachten, hoe moeilijker en pijnlijker de aanpassing wordt.
